Vaktermen

A

Adaptief: aangepast voor een bepaalde omstandigheid.

Adequaat: gepast, correct (vb. adequaat=correct reageren).

ADHD: attention deficit hyperactivity disorderstoornis die zich uit in hyperactiviteit, concentratieproblemen en impulsiviteit (vaak schertsend geherinterpreteerd als ‘alle dagen heel druk’).

Algemeen werkzame factoren: ingrediënten van een interventie die voor de effectiviteit van belang zijn, ongeacht de soort behandeling en doelgroep.

Ambulante zorg: de zorgverstrekker zoals een arts, psycholoog of gespecialiseerd verpleegkundige zich voor behandeling of begeleiding verplaatst naar de patiënt.

Anhedonie: Geen interesse of plezier in activiteiten hebben

Antecedenten: voorafgaande gebeurtenis.

Antisociaal gedrag: regel overtredend en grensoverschrijdend gedrag dat niet wordt geaccepteerd door gezin, school of de bredere maatschappelijke context.

Antilliaans: afkomstig uit de Antillen of met de Antillen verband houdend.

Antisociaal gedrag: regel overtredend en grensoverschrijdend gedrag dat niet wordt geaccepteerd door gezin, school of bredere maatschappelijke context.

Arcade halls: een soort speelruimte waar men op videogames, gokmachines, flipperkasten kan spelen.

Arrondissement: gebied dat onder de bevoegdheid van een specifieke rechtbank valt.

B

Bagatelliseren: als leerlingen niet naar school gaan terwijl dit wel verplicht is of verwacht wordt.

Bakens: markeringen.

Bemiddelingsovereenkomst: De bemiddelingsovereenkomst is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich tegenover de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om als tussenpersoon werkzaam te zijn bij het tot stand brengen van een of meer overeenkomsten tussen de opdrachtgever en derden. De tussenpersoon bereidt de transactie vaak voor en sluit haar eventueel af.

C

c.q.: casu quo

Causal risk factors: beïnvloedbare risicofactoren waarvan aangenomen kan worden dat deze een effect hebben op het uiteindelijke criterium.

Chroniciteit: lange duur, chronisch zijn.

Chronische misdadigers: iemand die daden pleegt die een ernstig vergrijp tegen de wet vertegenwoordigen. En dit langdurig doen.

Clusters: opeenhoping, groep.

**Criminogene **: misdaad bevorderend.

Cognitieve stoornissen: stoornis betreffende de kennis.

Comorbiditeit: het tegelijkertijd aanwezig zijn van verschillende aandoeningen-stoornissen.

Conto: voor iets verantwoordelijk zijn.

D

Delicten: strafbaar feit, zowel overtreding als misdrijf.

Delictplegers:personen die een strafbaar feit plegen.

Delinquent: bedrijver van een strafbaar feit.

Demonisering: de suggestie creeren dat een ander mens niet menselijk is, maar een negatief of gevaarlijk gekwalificeerd object of subject. Echter ook met betrekking tot meerdere mensen, een ander volk, ras of cultuur.
Demonisering betekent weinig of geen respect voor de andere mens of mensen.

Diagnostiek: het stellen van een diagnose.

Diffuus: zonder duidelijke grenzen.

Diversiteitsbeleid: beleid gericht op het erkennen en waarderen van verschillen tussen personen.

Dynamisch: veranderlijk.

E

Empirisch: als iets gebaseerd is op waarneming.

Ernstige criminaliteit; omvat geweldsmisdrijven en ernstige vermogensdelicten zoals diefstal.

Etiologie: Oorzaak van een ziekte

Etniciteit: etniciteit gaat over een specifieke soort van identificatie van groepen mensen met bepaalde groepskenmerken. Kenmerkend voor etniciteit is dat mensen verwijzen naar een bepaald territorium, waar dan in hun ogen een specifieke cultuur bij hoort. Bij een etniciteit hoort vaak een gedeelde geschiedenis en soms ook een gedeeld geloof.

Expertise: een deskundig onderzoek.

F

G

Gedragsactivatie: vorm van gedragstherapie die effectief is gebleken bij met name klinische depressie en fobieën. Net als de andere derdegeneratiegedragstherapieën (zoals Acceptance and Commitment Therapy en mindfulness) richt gedragsactivatie zich niet op verandering van de uiterlijke vorm van het probleemgedrag, maar op verandering van de functie die het probleemgedrag heeft in het leven van de cliënt. Gedragsactivatie is als behandelvorm gebaseerd op het behaviourisme van B.F. Skinner, oftewel de gedragsanalyse.

Gedragsinhibitie: het vermogen om een door prikkels van externe of interne aard uitgelokte of in gang gezette actie te onderdrukken, tegen te houden, vertragen, uit te stellen of om te buigen.

Gedragsstoornissen: een patroon van negativistisch, opstandig, ongehoorzaam en opstandig gedrag jegens leeftijdsgenoten of volwassenen dat zich voordoet tijdens de kindertijd met een duur van minstens 6 maanden.

Gemêleerd: samengesteld uit onderling verschillende onderdelen.

Genafwijking: aangeboren afwijking in het gen.

Gunstige factoren; factoren in het kind, gezin, leeftijdsgroep, school en buurt die samenhangen met een lage waarschijnlijkheid van probleem en delinquent gedrag. Van jeugdigen in het algemeen.

Gradueel: trapsgewijs

Gareel (in het gareel lopen): zonder protest doen wat je gevraagd wordt.

H

Halt-afdoening: projecten voor jongeren van 12 †“ 18 jaar die strafbare feiten gepleegd hebben zoals winkeldiefstal, vandalisme, openlijke geweldpleging, heling, enz, en geen gedragsproblemen of ernstige problemen thuis hebben; via de halt-procedure kunnen zij de schade herstellen, onbetaalde arbeid verrichten en-of kan er bemiddeld worden bij schadevergoeding.

Hardekernjongeren: jongere die deel uitmaakt van de harde kern, bv. van een groep relschoppers e.d.

Heling: als leerlingen niet naar school gaan terwijl dit wel verplicht is of verwacht wordt.

Huilbaby: baby die erg veel en langdurig huilt.

Herstelrecht: bij het herstelrecht staat het slachtoffer centraal en gaat het er juist om de schade die door een misdrijf is aangericht te herstellen, de dader behoort de schade ongedaan te maken bijvoorbeeld door schade financieel te vergoeden. Het straffen van de dader is daaraan onderschikt en dient alleen het doel de slachtoffers genoegdoening te bieden.

Hergo: herstelgericht groepsoverleg.

I

Inhibitie: ontbreken van respons van een zintuig of een deel van dat zintuig, ondanks een stimulus met een hogere intensiteit dan de drempelwaarde.

Interventie: ingrijpen, m.n. van een staat in de aangelegenheden van een andere staat= inmenging, tussenkomst.

Indirecte bemiddeling: de bemiddelbaar houdt om beurt afzonderlijke gesprekken met dader en slachtoffer en wisselt informatie uit.

J

K

Kindermisdaad: al het gedrag van kinderen tot en met 11 jaar dat onder het jeugdstrafrecht zou vallen al ze 12 jaar of ouder zouden zijn.

Kansindicatoren voor integratie: Indicatoren die een invloed heeft op een hogere kans op indicatoren.

L

Lacunes: Iets wat ontbreekt.

Leefwereld: levenspatroon en wereldbeschouwing samen beschouwd.

Leerstraffen: het volgen van een leerproject bij wijze van door de strafrechter opgelegde straf.

Legislatuur: uitoefening wetgevende macht.

Longitudinaal jeugdonderzoek: Er worden vertegenwoordigers van uiteenlopende leeftijden op intelligentie onderzocht en meermalen op in de tijd uiteenliggende momenten met dezelfde methoden. De resultaten duiden op mogelijke veranderingen die inmiddels zijn opgetreden.

Lucratieve aangelegenheid: winstgevende, voordelige aangelegenheid.

M

Marginalisering: in ’t bijzonder in de marge van de samenleving doen belanden.

Meervoudig risicomodel: risicomodel opgesteld door van der Ploeg.

Meta-analyse: statistische methode waarin gegevens van verschillende onderzoeken worden gecombineerd en geanalyseerd.

Modulering: iets voordragen.

Multisysteemtherapie: programma om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Multisysteemtherapie moet criminele jongeren op het goede spoor krijgen zonder dat ze naar een inrichting gaan. Dit is een behandeling voor jonge delinquenten die gegeven wordt in de natuurlijke omgeving van de delinquent (familie, vriendengroep).

N

Neurologische problemen: problemen behorend tot, betrekking hebbend op de neurologie, uit het oogpunt daarvan.

Neuropsychologie: tak van de psychologie die zich bezighoudt met de relatie tussen zenuwstelsel en psychische processen.

Normenverlies: het verlies van normen.

Notoire: beruchte.

O

OIVO-onderzoek: een onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO) publiceert een dossier over bepaalde onderwerpen.

Oppositioneel gedrag: gedrag noemen we ‘oppositioneel’ wanneer kinderen/jongeren zich verzetten tegen de leiding van volwassenen. Dit kan onder de vorm van passief of actief verzet. Bij mild, passief verzet gaan kinderen door met waarmee ze bezig zijn en doen alsof ze de opdracht niet gehoord hebben. Bij een meer actieve vorm van oppositioneel gedrag reageren ze opstandig of weigeren ze ronduit een opdracht.
De term ‘oppositioneel-opstandig gedrag’ verwijst naar het geheel van mogelijke gedragingen die in de DSM gelinkt worden aan een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis of ODD. In de DSM-IV-TR wordt dit beschreven als een patroon van negativistisch, vijandig of openlijk ongehoorzaam gedrag.

Oudgedienden: iemand die in het verleden ergens gewerkt heeft Voorbeeld: `Enkele oudgedienden van de Vietnamoorlog kwamen bij elkaar. `iemand die al lang ergens werkt, een veteraan Voorbeeld: `Hij is een oudgediende onder de wielerprofessionals.

P

Persistent: niet veranderend.

POS: problematische opvoedingssituatie.

Prevalentie: aantal gevallen op een specifiek moment in de bevolking.

Preventie: juridisch het voorkomen, verhoeden, m.n. het voorkomen van misdrijven en ongelukken.

Predicaat: Iets eervols dat over je wordt gezegd.

Proactieve agressie: weloverwogen agressief gedrag waarmee de dader in korte tijd zijn doelen wil bereiken.

Proces-verbaal: schriftelijke verklaring van een opsporingsambtenaar over de constatering en de toedracht van een strafbaar feit.

Prognose: voorspelling over hoe iets zal gaan.

Provo's: provo was een beweging die midden jaren zestig in Nederland ontstond en weer verdween na twee jaar. Provo werd in mei 1965 opgericht door onder meer Roel van Duijn (filosoof), Rob Stolk (drukker), Luud Schimmelpennink (uitvinder) en Hans Metz. In de zomer van 1965 sloten de provo's zich aan bij de happenings van Robert Jasper Grootveld (kunstenaar) op het Spui in Amsterdam.

Psychosociale problemen: problemen behorend tot of betrekking hebbend op de sociale aspecten van en invloeden op psychische verschijnselen.

Probleemcummulatie: de opstapeling van de problemen.

Personal Distress: psychische nood en uitputting door emotionele stress.

Pro sociaal gedrag: gedrag dat niet alleen gericht is op het eigen welzijn, maar ook op dat van anderen.

Q

R

Randsgroepjongeren: jongeren in meervoudige achterstandssituaties (=zwerfjongeren).

Reactieve agressie: kenmerkt zich door explosiviteit en heeft veel weg van fysieke agressie. Fysieke agressie is bijvoorbeeld slaan, schoppen en bijten.

Recidive: terugval in misdadigheid, herhaling van een misdaad.

Residentieel: opvoeding & begeleiding van kinderen en jeugdigen in een inrichting.

Risicofactoren; factoren in het kind, gezin, leeftijdsgroep, school en buurt die samenhangen met een hoge waarschijnlijkheid van probleem en delinquent gedrag, van jeugdigen in het algemeen.

Risicogezinnen: gezin waarin de kinderen onvoldoende bescherming en opvoeding van de ouders genieten, waardoor de kans op ontsporing e.d. groot is.

Risicojongeren: jongere die behoort tot een risicogroep, bv. die een verhoogd risico heeft om een besmettelijke ziekte op te lopen of met justitie in aanraking te komen.

Recidivisten: recidivisten zijn mensen die na een veroordeling opnieuw strafbare feiten plegen.

S

Schooluitval: schoolverlating zonder diploma.

Schoolverzuim: als leerlingen niet naar school gaan terwijl dit wel verplicht is of verwacht wordt.

Screening: streng antecedentenonderzoek.

Segregatie: scheiding

Sekse: het natuurlijk onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke wezens, m.n. tussen mannen en vrouwen= geslacht, kunnen.

Significant: toevallig.

Sociale liftfunctie: iets dat je omhoog trekt op de sociale ladder.

Sociologie: leer en studie van de menselijke samenleving als zodanig en van haar verschijnselen.

Solvabel: solvabel staat voor in de mogelijkheid om te betalen of betaalkrachtig. Iemand die solvabel is, heeft dus voldoende geld om aan zijn aankoop te voldoen.

Straatjeugd: jeugd die vaak samen komen op de straat.

Strafrechtelijk: volgens of met betrekking tot het strafrecht= penaal.

Stop-reactie: preventief en pedagogisch aanbod binnen Halt-bureaus voor kinderen onder de twaalf jaar die zich schuldig hebben gemaakt aan een licht strafbaar feit, en hun ouders; bestaat uit een gesprek met ouders.

Strafrecht: geheel van rechtsregels waarin is vastgelegd welk gedrag strafwaardig wordt geacht, welke straffen op dit gedrag gesteld zijn en via welke weg strafoplegging gerealiseerd kan worden.

T

Temperamentvol: met veel temperament = hartstochtelijk, vurig, warmbloedig.

TwaalfMinners: kinderen onder 12 jaar.

U

Uithandengeving: in uitzonderlijke gevallen kunnen minderjarigen van 16 jaar en ouder die een ernstig feit hebben gepleegd of die eerder maatregelen opgelegd kregen, doorverwezen worden naar een ander rechtscollege. De jongere zal als een volwassene berecht worden, hetzij door een bijzondere kamer van de jeugdrechtbank, samengesteld uit twee jeugdrechters en een correctionele rechter; hetzij door een hof van assisen.

Uithuisplaatsing: personen- en familierecht het op bevel van de rechterlijke macht uit het ouderlijk huis plaatsen van kinderen.

V

Vandalisme: zinloze, grove vernielzucht, het baldadig vernielen van publiek eigendom, auto’s, winkelvensters enz.

Veerkracht: figuurlijk herstellingsvermogen van iemands gestel of gemoed, bv. na grote inspanning of na een trauma.

Verzuimt: iets niet doen van wat van jou verwacht wordt.

VSO: verbond sociale onderneming.

W

X

Y

Z

Zedendelinquenten: iemand die een seksueel misdrijf heeft gepleegd; zedenmisdadiger; seksmisdadiger.

Zelfregulatie: vrijwillig aanvaarde regels voor bepaalde activiteiten. (bv. Diabetespatiënt die zelf insuline inspuit bij zichzelf).